Stadsdichter op de helft: van raadsvergadering tot open mic

Mijn eerste jaar zit erop. Als stadsdichter van Enschede ben ik op de helft. Wat je als stadsdichter voor een stad kan betekenen, dringt langzaam tot me door. En wat het stadsdichterschap voor mezelf betekent, wordt ook een beetje duidelijker. Soms dreigde de angst voor poëtische vaagheid, maar dan dacht ik aan een zin die Ellen Deckwitz schreef: “De dichter zegt niet gewoon wat hij bedoelt, hij zegt precies wat hij bedoelt.”

Moet een stadsdichter extra duidelijk zijn?

Dat is een vraag die ik mezelf vaak stelde. Van mensen die mijn stadsgedichten in de Tubantia hadden gelezen, kreeg ik wel eens de opmerking: “mooi hoor, maar ik begreep het niet helemaal.”

Heb je als stadsdichter dan gefaald? Niet per se, is nu mijn mening. Het kan ook zo zijn dat iemand stiekem bedoelt dat ik niet het soort gedichten schrijf waar hij of zij van houdt. Of dat een gesprek over het lezen van gedichten op zo’n moment relevanter is dan het uitleggen van diepere lagen, maar daarover straks meer.

Ik geloof dat het belangrijk is om te mikken op een breder publiek dan het handjevol liefhebbers dat trouw alle voordrachten bezoekt. Als stadsdichter ben je er immers voor de hele stad. Het aanvoelen van thema’s die onder de inwoners leven hoort daar bij. Ik ben erachter gekomen dat dat niks heeft te maken met het inleveren van artistieke vrijheid.

In tegendeel: als je alleen maar kunt schrijven over dat wat het dichtst bij jezelf staat, dan val je al snel in herhaling en wordt verrassen steeds lastiger. Wat niet betekent dat je ieder actueel thema moet omarmen; als je er echt niks bij voelt en toch verbeten gaat schrijven, dan zal dat zelden resulteren in iets moois.

Geloofwaardigheid

Soms vond ik het als stadsdichter een uitdaging om een minder bekend thema te belichten zonder geloofwaardigheid te verliezen. Je voelt je als mens immers niet met ieder thema evenveel verbonden. Maar als je vasthoudt aan je eigen stijl en de dingen die je inspireren, dan krijg je de geloofwaardigheid er meestal gratis bij.

Goed kunnen associëren, misschien is dat wel een van de belangrijkste vaardigheden voor een stadsdichter. Bij het thema alfabetisering, moest ik gelijk denken aan een film die ik indrukwekkend vond: Waking life (Richard Linklater, 2001). In deze film gaat het om wakker zijn en dromen, en het verliezen van de grens tussen die twee. En toen kwam het begin van het gedicht ‘Droomtaal’ bijna vanzelf:

als de wijzers van je klok
stil blijven staan
en je drukt op een knop
maar de lamp gaat niet aan
dan is het zeker dat je droomt

en als je alle letters ziet
als vermicelli in je soep
met af en toe een vluchtig woord
dan duurt de droom nog voort

In Waking life kunnen de personages op een aantal manieren controleren of ze wakker zijn of nog dromen. Als je droomt zou je volgens experts geen klok kunnen kijken, de verlichting in een ruimte niet kunnen beïnvloeden en… niet kunnen lezen. Hoe vreemd wordt de wereld als je niet kan lezen? Misschien wel net zo vreemd en beklemmend als de film Waking life.

Liefde voor poëzie

Minstens zo belangrijk als verdieping proberen te bieden bij een bepaald thema, is het overbrengen van de liefde voor poëzie. Breder gezien: de liefde voor taal. Wanneer iemand me dan vertelde dat hij of zij een gedicht niet helemaal begreep, dan antwoordde ik dat ik mijn favoriete gedichten van andere schrijvers ook niet altijd begreep. En hoe vervelend ik dat vroeger vond, maar inmiddels niet meer.

“Een gedicht is geen raadsel”

Waarom niet? Omdat een gedicht geen raadsel is. Je hoeft een gedicht niet op te lossen, ook al kan dat soms wel een deel van het leesplezier vormen. Maar je kan ook genieten van een zinnenprikkelend beeld dat wordt geschetst, of van een herkenbaar gevoel dat wordt overgebracht. Grappig genoeg werden gesprekken die begonnen vanuit een lichte mate van onbegrip, op die manier juist inspirerende discussies over de wederzijdse liefde voor taal.

Cross-over

Maar hoe bereik je mensen waarmee je niet in gesprek raakt? En is het belangrijk om die mensen te bereiken? Het antwoord op die tweede vraag is makkelijk: ja. Iedereen die kan spreken, luisteren of lezen heeft iets met taal. Daarom is het ook voor iedereen mogelijk om van taal meer te maken dan ‘slechts’ een gereedschap waarmee je door de maatschappelijke jungle kunt navigeren.

Ik ontdekte aan het eind van mijn eerste jaar als stadsdichter, dat iets wat ik zag als een cliché nog altijd gewoon werkt: de cross-over. Het is ook zo logisch: je neemt de ene subcultuur of kunstuiting en bedenkt een onalledaagse combinatie. Kijken wat er gebeurt. En waar de overeenkomsten liggen.

Op de laatste dag van januari was ik als gast aanwezig bij ‘Het woord is nu’ in het popcafé van Metropool Enschede. Ik zou gaan kijken naar diverse spoken word artiesten, en moest van tevoren toegeven dat ik maar half begreep wat dat genre inhield. Na een uurtje of twee begreep ik het wel. Wat een passie voor ritme, verhalen en taal!

Gelukkig was er ook ruimte voor een open mic, en ik greep mijn kans en droeg enkele stadsgedichten voor. Later die avond zei het spoken word-genie Manu van Kersbergen dat hij het gaaf vond dat ‘de stadsdichter’ aanwezig was. Terwijl ík alleen maar dacht: wat gaaf dat ik hier mag zijn! Wat weer aangeeft dat de grenzen die we zelf soms zien tussen al die genres, simpelweg niet bestaan.

Het recept

Dus: een stadsdichter moet actuele thema’s niet op voorhand schuwen, geloofwaardig zijn en de liefde voor poëzie en taal verspreiden? Wie weet, al is er natuurlijk geen kant en klaar recept voor het stadsdichterschap.

Beter is het om per stad en stadsdichter te kijken wat werkt. Een paar voorbeelden uit Enschede: een lokale krant als podium, gedichten in de openbare ruimte en festivals en stichtingen die de stadsdichter weten te vinden.

Ik herinner me een avond waar ik als stadsdichter en jurylid de uitslag van een verhalenwedstrijd bekend mocht maken. De winnaar was een taalvaardige man van in de negentig, die straalde en ongelofelijk trots was. Naderhand stelde hij me voor aan zijn dochter én kleindochter, die schrijfambities had en mij om tips vroeg. Mooier wordt het stadsdichterschap niet.

Impuls

Voor mezelf is het stadsdichterschap verder een enorme impuls om te schrijven. Naast een kantoorbaan is het continu zoeken naar voldoende tijd om te dichten en poëtische plannen te maken. Het stadsdichterschap is dan als een soort toverstok achter de deur. Ineens schrijf ik met plezier over onderwerpen waar ik nooit eerder aan had gedacht.

Ik ken tevens voorbeelden van oud-stadsdichters die al ‘voltijd creatief’ waren, en voor wie het stadsdichterschap een katalysator was voor hun creatieve carrière. In ieder geval is het stadsdichterschap gezond voor de creatieve bedrading in je hoofd, en je komt ook nog eens op plekken waar je anders niet zou komen.

Zo begon ik mijn eerste jaar als stadsdichter met een voordracht in de raadszaal van het gemeentehuis, en sloot ik het jaar af in een popcafé omringd door de voorhoede van de plaatselijke hiphop scene. Taal, zo heet de gemeenschappelijke deler. En pas op: die taal is vaker poëtisch geladen dan je zou denken…

Kunst in het Volkspark 2019

Op zondag 9 juni 2019 nam ik deel aan Kunst in het Volkspark (Enschede). Een dag eerder was het weer nog stormachtig, maar tijdens het evenement scheen de zon volop.

Het was bijzonder – ook voor mezelf – om zo’n schilderijenselectie bij elkaar te zien. Doorgaans ligt een deel van mijn werk veilig opgeborgen, zodat ons huis niet teveel in een museum verandert. Als er dan weer ruimte is voor een expositie of kunstmarkt, dan komen oude en recente werken voor het eerst samen.

Veel mensen kwamen tijdens Kunst in het Volkspark vooral de sfeer proeven, maar toch verkocht ik die dag een grof opgezet stilleven van een peer en kreeg ik ter plekke een opdracht van een enthousiaste voorbijganger.

Bekijk alle schilderijen in mijn online gallery.

Volgend jaar weer?

Close-up van mijn kraam tijdens Kunst in het Volkspark 2019, Enschede.
Ezel met zwangerschapsportret, staand bij de kraam.
Alles recht, natuurlijk 😉

Wateroverlast & graffiti

Na de (waterschaps)verkiezingen in de natte maand maart, schreef ik een stadsgedicht over wateroverlast. Een maand later meldde schrijver Ernst Bergboer zich met een interessant idee: hij vroeg me of mijn ‘Watergedicht’ door graffiti-artiesten op een muur van een leegstaande waterberging mocht worden overgebracht. Dit in het teken van een journalistiek onderzoeksproject naar water in relatie tot Enschede.

Natuurlijk was het antwoord ja. In mei gingen de graffiti-artiesten van Element X Customs aan het werk. Het resultaat werd geweldig, inclusief spannende waterspiegel en cartooneske haai. Hieronder enkele foto’s en de volledige tekst.

Zicht op Bergbezinkbassin Bruggenmors vanaf de F35 Fietssnelweg langs het spoor richting Hengelo.
Close-up van de eerste strofe.

Wateroverlast

Als het water van maart gezakt is,
blijkt pas hoe verzadigd we zijn.
‘t Sijpelt door de markt en singels,
vindt altijd een reden om dieper
te gaan, tot het vocht opgehoopt
pleinen boller doet staan.

Het kan stormen boven Twente,
maar onze hoofden blijven droog.
De stadswal die in dromen rijst
zal nooit de poorten dichten.
Vlak voor het ontwaken zien we
druipende gezichten.

Water is steeds schappelijk, kiest
z’n routes toch gemakkelijk. In de
war staan we samen om de vijver
van het Volkspark. Met een stok
slaat iemand woedend door de
spiegel die vertroebelt.

Verderop wordt er gegraven in
de lange straat naar Oldenzaal.
Een ander denkt te weten dat ze
een berging maken voor regen;
voor de oorzaakloze zondvloed,
waaraan niemand schuldig is.

Close-up van de slotstrofe.

Stadsdichter!

Ja! Gisteren werd ik in Muziekcentrum Enschede verkozen tot nieuwe stadsdichter van Enschede! Het was een mooie verkiezingsavond, met uiteenlopende talenten op het podium. Ik heb erg veel zin om de diversiteit van Enschede en haar bewoners de komende twee jaren in woorden te vangen.

Hieronder een van de gedichten die ik op de verkiezingsavond heb voorgedragen.

Ledeboerpark

Was je erbij toen de mammoetboom groeide?
Niet een klein stukje maar zichtbaar en krakend
De tuinman en de imker waren lang en breed thuis
alleen zij die hielden van nacht bleven achter

Gestoord door het geruis van de Hengelosestraat
grepen rododendrons met hun takken in elkaar
Alleen ‘t gezwoeg van die reus was nog hoorbaar
hij klom uit de aarde met harige bast

Zij die hielden van nacht zaten plots tussen offers
van eenden en eekhoorns en muisstille herten
die knielden met nootjes en korstjes van brood
Bij de poort lieten adelaars niemand naar binnen

Meesters in beeld

Ontspannen is: dwalen langs planken met tweedehands kunstboeken. Achter je fluistert iemand een onvindbare titel. Een medewerker mompelt iets. Verder klinkt er geen geluid. Voor je neus al die ruggen met grote namen uit voorbije tijden. Je bent op zoek naar die ene rug, getatoeëerd met een betoverende naam. Ze glanst en je raakt haar aan.

Kunstboeken, tweedehands ontdekt.

Thuis is mijn eigen plank met kunstboeken overvol. Ik pak vijf juweeltjes die ik de laatste tijd graag opensla: James Ensor – Universum van een fantast, Odilon Redon (Hatje Cantz), Henri Matisse (Hatje Cantz), Sam Drukker – Een dunne huid en Matthijs Röling – Schilderijen. Een lukrake greep? Een greep op gevoel. Drie van de genoemde boeken ontdekte ik op de tweede verdieping van Boekhandel Broekhuis in Enschede. Een van de titels komt uit De Kameleon in Deventer. Beide boekenzaken lenen zich goed voor het betere dwalen, ook al zijn ze qua oppervlakte bescheiden.

Figuratief. Misschien kun je de kunstenaars die ik heb gepakt het best met die lastige term onderling met elkaar in verband brengen. Figuratief is een woord dat iets ontembaars in een hokje wil drukken. Wat me brengt bij het boek ‘Een dunne huid’ over Hollandse meester Sam Drukker. Bij Drukker volgde ik vorig jaar een masterclass, een intense en verrijkende ervaring. Volgens Drukker is het veronderstelde onderscheid tussen figuratief en abstract onzinnig. De figuratieve schilder ziet de werkelijkheid in wonderschone vlakken. Een donker vlak, een tussentoon, een licht vlak en het hoge licht: en voilà, er is een portret ontstaan. Is het echt zo simpel? Nou, oefening baart kunst. En Sam Drukker baart verleidelijke, soms bijna transparante kunst. Hij geniet van de ondergrond die hij uitkiest. Een oud zeildoek waar het weer in zit. Een houten plaat, gevonden bij het vuil. Sam Drukker maakt er kunst van. Hij bereikt het maximale met minimale middelen. Zijn onderschetsen zijn modderig; zijn hoge lichten magistraal.

Via Sam Drukker is de weg naar Matthijs Röling kort. Röling is Drukkers leermeester. Hij is een figuratieve schilder die je meeneemt. Bijvoorbeeld naar een gelukkige tijd in een landhuis genaamd Groenestein. En dat is dus ook echt wat Röling doet: hij schildert een gelukkige tijd. Bekijk de schilderijen die hij in Groenestein maakte en je begrijpt het. Het licht brengt kleur en valt overdadig naar binnen. Overal is de natuur: donkere bomen op de achtergrond, een glazen vaas met wilde bloemen op de voorgrond. Tegelijkertijd denk ik dat Matthijs Röling de opmerking dat hij ‘een gelukkige tijd schildert’ aanstellerig zou vinden. Ook hij is weer verliefd op vlakken. Slagschaduwen: paarse vlakken. Muren: vlakken van oker. Kijk door je oogharen en doe je best om die vlakken echt te zien. Vergeet wat je weet en de kunst ontstaat vanzelf. Het is die lichtheid die je ziet in bijna al het werk van Matthijs Röling.

En dan zijn er natuurlijk nog de grote namen die hun plek in de kunstgeschiedenis al lang en breed hebben verdiend. Ensor, die via een overdaad aan handschrift en textuur uitkomt bij knotsgekke, maar o zo authentieke kleuren. Odilon Redon: ruimte voor duisternis, magie en bloemen die mogen bloeien op het doek. Matisse en de manier waarop hij de figuratieve kunst verkende, oprekte en ontdeed van onzinnige pretenties. Maar wat ik in al mijn gekoesterde kunstboeken vind: een onuitputtelijke liefde voor de werkelijkheid.

Frankfurter Buchmesse 2016

Van 19 tot en met 23 oktober vond de Frankfurter Buchmesse 2016 plaats. Het thema dit jaar: Vlaanderen & Nederland.

Ik bezocht de Frankfurter Buchmesse voor het eerst. De massaliteit van het evenement was indrukwekkend, of misschien is ‘hoopgevend’ een beter woord. Talloze stands uit diverse landen kondigden een nieuwe literaire lente aan; uiteraard met talentvolle schrijvers uit eigen stal.

De interviews en lezingen die je kon bijwonen, waren zowel rommelig als ongedwongen. Ik herinner me vooral Tommy Wieringa, die voorlas uit de Duitstalige versie van zijn roman ‘Dit zijn de namen’. Hij dacht een fout te hebben ontdekt in de vertaling van zijn eigen werk, maar de interviewster waarnaast hij zat gaf aan dat hij gewoon te maken had met ‘Der Akkusativ’. Waarop Wieringa reageerde: “Das ist doch keine Sprache, das ist Mathematiek.” Het overwegend Duitse publiek kon er wel om lachen.

Wonderlijke taferelen

Verder kenmerkte de zaterdag van de Buchmesse 2016 zich door een bezoekersstroom waarin superhelden, tovenaars en schaars geklede elfjes rondliepen. Ook voor de liefhebber van stripboeken was de Buchmesse the place to be. Het zorgde in ieder geval voor een prettige sfeer en voor wonderlijke taferelen. Zoals: in de rij staan voor een kopje koffie achter iemand met een kromzwaard.

De manier waarop het Rijksmuseum Amsterdam zich presenteerde was in positieve zin opvallend. Een medewerkster van het museum, compleet met witte handschoentjes, bladerde onophoudelijk door een reusachtig boek met close-ups van olieverfschilderijen. Dit voor een achtergrond die deed denken aan de bibliotheek van een oud, adellijk landhuis. Alleen die dag was een kleinere, maar nog altijd zwaarlijvige versie van het reusachtige boek te koop voor slechts 50 euro. Ik kocht het boek niet, en daar heb ik spijt van.

Frankfurter Buchmesse 2016 ingang

Frankfurter Buchmesse Spiderman